Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZWEMINRICHTINGEN EN WEDSTRIJDEN

2. De kennis van de methodiek van het zwemonderwijs.

a. Kennis van de leerstof van het zwemmen (met inbegrip van springen en duiken) en het methodisch gebruik ervan,zoowel die van het beginzwemonderricht als die van het sportieve zwemmen.

b. Kennis van de veiligheidsmaatregelen bij het geven van zwemonderwijs te nemen.

c. Kennis van de verschillende leer- en reddingsmiddelen, alsmede van de eischen, welke aan open- en overdekte zweminrichtingen moeten worden gesteld.

d. Bekendheid met de verschillende methoden bij het redden van drenkelingen in gebruik.

e. Bekendheid met de wedstrijd- en waterpoloreglementen van den Kon. Ned. Zwembond en wat het schoonspringen betreft bekendheid met de meest voorkomende sprongen en de internationale verdeeling daarvan.

Het examen omvat vier onderdeden:

1. de theorie van het zwemmen.

2. de practische bedrevenheid;

3. het lesgeven;

4. de gezondheidsleer betrekking hebbende op- en verband

houdende met het zwemmen.

De candidaten zullen voor ieder onderdeel een voldoend cijfer moeten behalen willen zij in het bezit van het diploma worden gesteld. De eischen voor het onderdeel „Hygiëne” zijn ook niet licht. Zware eischen dienen op dit gebied aan den onderwijzer gesteld te worden, omdat hij in den regel de eerste hulp bij ongevallen zal moeten verleenen. Hij zal derhalve op de hoogte moeten zijn van:

a. de bouw en verrichtingen van het menschelijk lichaam en de

en de functie der organen.

b. de theoretische kennis en practische bedrevenheid in het

nemen van maatregelen bij drenkelingen.

c. kennis van de toe te passen eerste hulp bij ongevallen.

Bovendien zal de zwemonderwijzer eenigszins op de hoogte

moeten zijn van de hygiëne der zwemoefeningen en van het zwemwater.

Zooals gezegd heeft de K.N.Z.B. de opleiding reeds jaren geleden ter hand genomen, zoodat voldoende terzake kundige leer-

Sluiten