Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET WATERPOLOSPEL

sterk zelfs, dat de vingers een vrijwel verticale houding kunnen aannemen zonder dat de bal van de hand valt. Het vasthouden van den bal boven water is een onderdeel, dat niet voldoende beoefend kan worden. Het is noodzakelijk, dat het vasthouden van den bal volkomen beheerscht wordt voor met het werpen en schieten begonnen kan worden. Eerst wanneer de zwemmer langen tijd achtereen den bal met de hand, de onderarm is daarbij geheel uit het water, kan vasthouden, terwijl met den anderen arm en de beenen gezwommen wordt, heeft het zin de andere grepen en worpen te beoefenen. Vanzelfsprekend dient ook beoefend te worden het vasthouden van den bal, terwijl de arm flink heen en weer bewogen wordt.

Zooals gezegd geeft de waterpolospeler de voorkeur aan het vastgrijpen van den bal aan den bovenkant. Hij kan daardoor beter zien, waar hij de hand plaatst en loopt niet de kans, dat de bal van de hand afrolt. Wanneer nu de speler de hand, op den bal heeft gelegd, zijn er twee manieren om den bal uit het water te halen.

Het moeilijkste is door den bal naar beneden te duwen en te laten opspringen. De bal zal dan flink opspringen. De zwemmer laat den bal niet los, maar laat de hand met den bal meespringen, waardoor de opspringende bal als het ware tegen de hand blijft aankleven. Wordt de beweging goed soepel uitgevoerd en met de hand een kleine opwaartsche boog beschreven, waarbij de pols naar voren wordt gebracht dan zal de bal die beweging volgen en op de inmiddels vlakke hand komen te liggen.

Gemakkelijker is om de hand op den bal te leggen en even licht op den bal te drukken. De bal zal dan iets opspringen en gedurende het opspringen draait de speler snel de hand met den daaraan klevenden bal om, waardoor de bal op de hand komt te liggen. De hand beschrijft dus een boog langs den zijkant van den bal naar de oppervlakte van het water toe. Wanneer de speler de hand op den bal legt, drukt hij altijd eenigszins op den bal, waardoor de opwaartsche druk tegen den bal toeneemt en de bal steviger onder de hand komt te liggen.

Deze oefeningen met den bal kunnen het beste beoefend worden staande in water, dat tot borsthoogte reikt. De speler kan dan rustig alle aandacht aan de oefening zelf wijden. Een van de mooiste oefeningen is de bal van boven vast te houden en vele malen zeer snel achtereen uit het water boven het hoofd te brengen

Sluiten