Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET WATERPOLOSPEL

of pijltjes tegen den wand van het bassin aangegeven.

Tusschen de 2-meter lijn en het doel mag een voorspeler zich niet opstellen. Evenmin mag hij in dit gebied den bal toegespeeld krijgen. De keeper mag zich niet verder dan 4-meter van het doel verwijderen. Hij mag de 4-meter lijn niet overschrijden. Strafworpen worden van ieder willekeurig punt van de 4-meter lijn genomen. De spelers mogen den bal slechts met één hand tegelijk aanraken. De keeper met beide handen. Een doelpunt is gemaakt, wanneer de bal de doellijn geheel is gepasseerd. Zoodra de scheidsrechter voor een fout fluit, moeten de spelers blijven liggen op de plaats, welke zij op het moment van het fluitsignaal innemen. Zwaar wordt het veranderen van plaats gestraft.

Bij den aanvang van het spel stellen de spelers zich op de doellijn op en wachten op het fluitsignaal van den scheidsrechter. Onmiddellijk daarna wordt door den scheidsrechter de bal in het midden van het bassin geworpen en zwemmen de spelers naar hun plaatsen. Wanneer een doelpunt is gemaakt begint het spel opnieuw en stellen de spelers zich derhalve wederom op de doellijn op. Indien door twee spelers van beide partijen tegelijk een fout wordt begaan zal de scheidsrechter den bal uit het water nemen en deze naar de spelers werpen. Zij mogen eerst den bal aanraken als de bal het water geraakt heeft. Er kunnen drie soorten van fouten gemaakt worden n.1. gewone, zware en hoofdfouten.

Gewone fouten zijn:

A. Het uitzwemmen, voordat de scheidsrechter het aanvangssein heeft gegeven.

B. Een speler helpen bij het begin, het herbegin of gedurende het spel.

C. Zich vasthouden aan of zich afzetten van de doelpalen of van de voorwerpen, waaraan zij bevestigd zijn; zich vasthouden aan leuningen of dergelijke steunpunten, uitgezonderd bij het begin of bij het herbegin; zich vasthouden aan of zich afzetten van de zijkanten gedurende het werkelijke spel.

Het staan in het ondiepe gedeelte (tenzij om uit te rusten) en het loopen, terwijl het spel aan den gang is.

E. Den bal onder water duwen of houden, wanneer men wordt aangevallen.

F. Den bal slaan met gebalde vuist.

G. Het spatten met water in het gelaat van den tegenstander.

Sluiten