Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VOORBEREIDENDE OEFENINGEN

voudige sprongen als fundamenteele sprongen beschouwd moeten worden. Het is voor iederen beoefenaar van het schoonspringen niet mogelijk mooie resultaten te bereiken, zoolang hij deze sprongen niet in de perfectie kan uitvoeren. Hier zij nog even aan toegevoegd, dat een sprong eerst geëindigd is, wanneer het geheele lichaam in het water is verdwenen.

Thans volgt de sprong vanuit den stand in fig. 63 aangegeven.

De zwemmer staat met zijn teenen op het uiterste einde van de plank. Ook nu weer zal hij door eenige oogenblikken stil te staan blijk moeten geven volkomen in evenwicht te zijn. De sprong wordt in achterwaartsche tevens in opwaartsche richting gemaakt. Door den zwaai met de armen wordt het naar beneden duwen van de plank bevorderd. Zooals gezegd is de bedoeling de plank naar beneden te duwen om van het opspringen der plank bij het afzetten te profiteeren. De zwemmer zal flink naar achteren moeten springen om te voorkomen, dat zoo hij zijn evenwicht verliest en voorover mocht vallen in aanraking met de plank' kan komen. Ook deze sprong moet als één der sprongen worden be¬

schouwd, die de leerling volkomen zal moeten beheerschen wil hij verder mooie vorderingen kunnen maken.

Wanneer het lichaam voor- of achterover valt dan zal een minder goede afzet gemaakt zijn. Er wordt dan te veel naar voren of naar achteren afgezet en te weinig omhoog. Ook kan het zijn, dat het hoofd niet zuiver in het verlengde van den romp wordt gehouden. Het hoofd mag niet voor of achterover hangen, maar de springer blijft steeds recht vooruit kijken.

Thans volgt de aanloop. De aanloop zou in drie deelen verdeeld kunnen worden nl. de aanloop, de opsprong voor den afzet van de plank en den afzet zelf. De aanloop zal steeds kalm en rustig zijn en nimmer snel. Een snelle aanloop veroorzaakt een ver weg springen, terwijl het juist de bedoeling is hoog op te springen.

i

Sluiten