Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SPRINGEN EN DUIKEN

geen nadere toelichting. Duidelijk blijkt, dat de draaiing om de breedte as in voorwaartsche richting moet worden uitgevoerd na den opsprong in achterwaartsche richting. Van uit deze houding en op deze wijze worden ook de salto’s gemaakt.

De halve schroefsprong voorwaarts behoort tot de laatste groep

n.1. die van de „Schroef- en Boorsprongen”. (76) Deze sprongen zijn al heel moeilijk en zal de springer enorm veel geduld moeten hebben en langdurig moeten oefenen eer hij deze sprongen correct kan uitvoeren. Volgens de reglementen mag de draaiing eerst geschieden, wanneer het lichaam zich in dalende lijn bevindt. Er mag derhalve niet direct van de plank af gedraaid worden, waaruit af te leiden valt, dat eerst een zweef gemaakt zal moeten worden. Dit is ook op de teekening aangegeven. Intusschen zullen zij, die meer dan eens schroefsprongen hebben zien uitvoeren, tot de ontdekking zijn gekomen, dat de draaiing vrijwel steeds eerder wordt ingezet dan het reglement toestaat. Naar onze mee-, ning is de uitvoering van den sprong, zooals het reglement voorschrijft, niet goed mogelijk en zal er reeds bij het opspringen van een draaiing om de lengte-as sprake zijn. Het wil ons onmogelijk voorkomen, dat de draaiing

eerst inzet, wanneer het lichaam de plank verlaten heeft. Dat gaat tegen de wetten der natuur in.

Bij de boorsprongen mag de draaiing eerst beginnen, nadat het lichaam gehoekt heeft.

De schroef- en boorsprongen worden zoowel voorwaarts (met aanloop) als rugwaarts uitgevoerd. Ook worden deze sprongen voorwaarts uit stand ruglings gemaakt. Er worden halve en heele schroeven uitgevoerd, terwijl combinaties van een Auerbachsprong of een 1 y2 salto met een halve en een heele schroef mogelijk is.

Sluiten