Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OPGAVEN.

1. Twee evenwijdige gelijkgerichte krachten zijn 27,5 efl 35 kg. Bepaal de grootte van de Resultante.

2. Twee evenwijdige, tegengesteld-gerichte krachten zijn 285 en 300 kg. Bepaal de grootte van de resultante.

3. In een goederenwagen, die 7 ton weegt, laadt men kolen. De druk op elk der vier wielen is 4250 kg. Hoeveel ton is de lading? (1 ton = 1000 kg).

4. In een bakkerswagen, die 150 kg weegt, laadt men 80 broden van 8 ons, 35 broden van 4 ons en 3,5 kg klein brood. Bereken het totale gewicht.

5. Een schip weegt 65 ton. Het kan totaal 140 ton water verplaatsen. Hoeveel kg goederen kunnen geladen worden? (1 ton = 1000 kg).

6. Op een balk werken de volgende krachten loodrecht naar beneden: het eigengewicht = 450 kg en belastingen van 400, 250, 300 en 270 kg. Bereken, hoe groot de druk op beide steunpunten samen is?

7. Op een wip zitten 4 kinderen, die respectievelijk 35, 42, 48 en 51 kg wegen. De wipplank zelf weegt 60 kg. Hoe groot is de druk in het steunpunt?

8. Een kruiwagen weegt met last 250 kg. De kruier moet met elke hand een kracht van 17 kg loodrecht omhoog uitoefenen. Hoe groot is de druk van het wiel op de grond?

9. De druk op een keersluis is aan de ene kant 147000 kg en aan de andere zijde 98000 kg. Hoe groot is de kracht, waarmede de sluis tegen de muur gedrukt wordt?

10. De arm van een balans (weegschaal) weegt met de schalen 580 gram. Er wordt een lichaam op geplaatst, dat 284 gram zwaar blijkt te zijn. Hpe'groot is de druk in , het steunpunt? V*.

Sluiten