Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De momenten van Kj en K2 zijn negatief, die van K3 en K4 positief.

Mr, t.o.v. S = ■— 20 kg X 3 m = — 60 kgm

Mr2 t.o.v. S = — 50 kg X 2,5 m = — 125 kgm

Mk„ t.o.v. S = 40 kg X 2,5 m = + 100 kgm

MK3 t.o.v.'S = 30 kg X 3 rn = + 90 kgm

5 M = + 190 kgm — 185 kgm = + 5 kgm.

Opmerking:

Mr, = het moment van kracht 1.

2 (sigma) — summa = de som van alle.

OPGAVEN.

Maak voor elk vraagstuk eerst de tekening. Schrijf de afstanden van elke kracht tot het momentenpunt er bij.

1. Een balkonbalk, lang 1,5 m, is aan de linkerzijde in A bevestigd. Op 0,8 m van de muur werkt een kracht van 200 kg loodrecht omlaag. Bepaal het moment t.o.v. A.

2. Een balk AB; lang 5 m, is in A (links) en B ondersteund. Op 1,5 m van A werkt een kracht van 200 kg, op 2,5 m van A een van 180 kg, op 2 m van B een van 220 kg en op 0,8 m van B een van 60 kg. Alle krachten werken loodrecht omlaag. Bepaal 2 M t.o.v. A.

_3. Een weegschaal is in evenwicht. De totale druk op het steunpunt is 4,5 kg. Hoe groot is het moment van deze kracht t.o.v. het steunpunt?

4. In welke richting moet een kracht op de wijzer van een klok werken, als deze op 9 staat, om een positief moment te krijgen t.o.v. het middelpunt van de wijzerplaat?

5. Het moment van een kracht t.o.v. A is 240 kgcm. De afstand van A tot de krachtlijn is 30 cm. Bereken de kracht.

6. Het moment van een kracht t.o.v. A is + 850 kgm. De kracht is 250 kg en werkt loodrecht omlaag. Hoeveel m, links of rechts van A, werkt de kracht?

7. Het moment van een kracht t.o.v. A is — 6270 kgm. De kracht werkt 6 m rechts van A. Hoe groot is die kracht en in welke richting werkt hij?

Sluiten