Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8. Op een lichaam werken de volgende -momenten t.o.v. A: 300 kgm, 1200 kgm, 800 kgm, 2100 kgm en 1750 kgm. Hoe groot is het moment, dat hiermee evenwicht maakt?

9. Iemand stoot op het eind van een 2,5 m lange duikplank af met een kracht van 150 kg. Bepaal het moment t.o.v. het andere uiteinde.

10. Een wiel heeft een middellijn van 3,5 m. Op de omtrek wordt een kracht van 800 kg uitgeoefend in de richting loodrecht op een straal. Bepaal het moment van die kracht t.o.v. de as van het wiel.

§8.

Evenwijdige krachten.

Het bepalen van de plaats der resultante.

In paragraaf 6 is het bepalen van de grootte en de richting van de resultante behandeld. Werken de krachten langs dezelfde lijn, dan werkt de resultante ook langs die lijn. In andere gevallen maken we gebruik van de momenten-stelling:

Het moment van de resultante van enige krachten t.o.Vf< een punt is gelijk aan de algebraïsche som van de momenten van die krachten t.o.v. dat punt.

Mr = ^M

We bepalen dan de som van alle momenten tot zeker punt en de algebraïsche som van alle krachten. Delen we de eerste uitkomst door de tweede, dan krijgen we de afstand van de resultante tot het punt.

2M a~ 2 K

Voorbeelden:

1. Drie krachten van 12, 18 en 24 kg werken op onderlinge afstanden van 80 en 60 cm, loodrecht naar beneden. Bepaal de resultante.

N.B. Wanneer niet anders vermeld wordt, worden krachten en afstanden steeds van links naar rechts genoemd.

Sluiten