Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

9. Kx = 10 kg; K2 = 12,5 kg; L A = 70°. 10. Kx = 3000 kg; K2 = 4500 kg; LA= 90°.

§13.

Herhaling.

1. Op een punt werken twee krachten, Ki — 40 kg en K2 = 45 kg, onder een hoek van 45°. Bepaal de resultante d.m.v. het parallelogram.

2. Op punt A werken twee krachten, Kx = 2000 kg en K2 = 2500 kg, onder een hoek van 90°. Bepaal de resultante d.m.v. een parallelogram.

3. Op punt A werken twee krachten, Kx = 0,4 kg en K2 = 0,6 kg, onder een hoek van 120°. Bepaal de resultante d.m.v. een parallelogram.

4. AB = 6 m. In A werkt Kt = 40 kg onder een hoek van 110° met AB, in B werkt K2 = 70 kg onder een hoek van 160° met BA. Bepaal de resultante.

5. AB = 40 cm. In A werkt Kx = 6 kg onder een hoek van 40° met AB en in B werkt K2 = 8 kg onder een hoek van 45° met BA. Bepaal de resultante.

6. AB = 2,20 m. In A werkt Kx = 25 kg onder een hoek van 120° met AB en in B een kracht K2 = 20 kg onder een hoek van 100° met BA. Bepaal de resultante.

7. In A werken 2 krachten,, Kx = 72 kg en K2 = 84 kg, onder een hoek van 60°. Bepaal de resultante m.b.v. een driehoek.

8: In A werken 2 krachten, Kx = 20 ton en K2 = 18 ton, onder een hoek van 150°. Bepaal de resultante m.b.v. een driehoek.

9. In A wérken 2 krachten, Kx = 150 kg en K2 = 160 kg, onder een hoek van 50°. Bepaal de resultante m.b.v. een driehoek.

10. In A werken 2 krachten, Kx = 250 kg en K2 = 50 kg, onder een hoek van 95°. Bepaal de resultante m.b.v. een driehoek.

Sluiten