Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5. De spantbenen van een kapspant, die 5,40 m lang zijn, sluiten een hoek van 75° in. De vertikale druk op het bevestigingspunt is 1200 kg. Bepaal de drukspanning in de spantbenen.

6. Op een helling met een hellingshoek van 15° ligt een voorwerp, dat 200 kg zwaar is. Bepaal de normaaldruk en de kracht in de richting van de helling.

7. Een voorwerp, zwaar 5 kg, ligt op een helling met een hellingshoek van 30°. Bepaal de reactiekracht van het vlak en de wrijving.

8. Een staaf is lang 1 m en weegt 4 kg. Aan het ene einde hangt 10 kg en aan het andere 8 kg. Waar moet de staaf ondersteund worden, om in evenwicht te zijn?

9. Op het linkereinde van een horizontale staaf werkt een kracht van 25 kg vertikaal naar beneden; 40 cm naar rechts werkt een kracht van 40 kg vertikaal omhoog. Bepaal de grootte, richting en plaats van de evenwicht-makende kracht.

10. Aan een ring zijn 3 touwen bevestigd. Twee ervan sluiten een hoek van 120° in en zijn gespannen met krachten van 15 en 18 kg. Bepaal de richting en de spanning in het derde touw.

Algemene herhaling.

1. Een wielrijder legt een weg van 126 km af in 6 uur 18 min. Bereken zijn gemiddelde snelheid in km/uur.

2. Een sneltrein legt de weg Batavia-Soerabaya, — 842,4 km — af met een gemiddelde snelheid van 9,725 m/sec. Hoe lang duurt die reis?

3. Iemand loopt 5,4 km per uur. Hoeveel legt hij af in 25 min?

4. Een bal rolt van een hellende plank. In de 8e sec is de afgelegde weg 1,20 m. Bereken de versnelling.

5. Een trein begint te rijden en legt in de eerste twee min

Koudijs en Wolters-Marx, Werktuigkunde I. 4

Sluiten