Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met een eenparig versnelde beweging 720 m af. Aan het eind van de eenparig versnelde beweging is de snelheid 15 m/sec. Hoe groot is dan de af gelegde weg?

6. Een lichaam, dat een eenparig versnelde beweging heeft, legt in de 13e sec 45 cm meer af dan in de 3e sec. In hoeveel tijd heeft het 900 cm afgelegd?

7. Een lichaam heeft een snelheid van 175 cm/sec. Het krijgt een eenparig vertraagde beweging en komt in 7 sec tot rust. Bereken de vertraging.

8. Een trein heeft een snelheid van 68 km/uur. Hij krijgt een vertraging van 0,25 m/sec2. Hoeveel m wordt tot de rusttoestand afgelegd?

9. Een lichaam heeft een eenparig vertraagde beweging. Vier sec na het begin van die beweging is de snelheid 28 m/sec en tien sec na dat begin is de snelheid 4 m/sec. Bereken de beginsnelheid.

10. Teken drie evenwijdige, vertikaal naar beneden werkende krachten van 10, 15 en 17 kg met onderlinge afstanden van 4 en 3 cm.

11. Teken 3 op één punt werkende krachten, die hoeken van 120° insluiten. K4 = 10 kg, K2 = 16 kg en K3 = 20 kg.

12. Op een balk werken 5 evenwijdige krachten: Kx in A, K2 in B, K3 in C, K4 in D en K5 in E. AB = 1,5 m, BC = 2 m, CD = 2 m en DE = 1,5 m. K2 en K4 zijn 250 kg en werken vertikaal omhoog. De andere krachten zijn ook 250 kg en werken vertikaal omhoog. Geef hiervan een tekening.

13. Op een wip zitten 3 kinderen, die respectievelijk 60, 45 en 30 kg wegen. De wipplank zelf weegt 55 kg. Hoe groot is de druk in het steunpunt?

14. Een kruiwagen weegt met last 225 kg. De kruier moet met elke hand een kracht van 18 kg loodrecht omhoog uitoefenen. Hoe groot is de druk van het wiel op de grond?

15. Op een keersluis drukt het water aan de ene kant met een kracht van 225000 kg en aan de andere kant met een kracht van 117800 kg. Hoe groot is de kracht, waarmee

Sluiten