Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

26. AB = 6,10 m. In A werkt Kx = 1200 kg onder een hoek van 150° met AB en in B een kracht van 1000 kg onder een hoek van 165° met BA. Bepaal de resultante.

27. AB = 2,95 m. In A werkt Kx = 75 kg onder een hoek van 95° met AB en in B een kracht K2 = 100 kg, onder een hoek van 100° met BA. Bepaal de resultante.

28. In A werken 2 krachten, Kx = 30 kg en K2 = 34 kg, onder een hoek van 140°. Bepaal de resultante m.b.v. een driehoek.

29. In A werken 2 krachten, Ki = 130 kg en K2 = 110 kg, onder een hoek van 75°. Bepaal de resultante m.b.v. een driehoek.

30. In A werken 2 krachten, Kx = 120 ton en K2 = 140 ton, onder een hoek van 60°. Bepaal de resultante m.b.v. een driehoek.

31. Ontbind R = 450 kg in twee evenwijdige gelijkgerichte krachten, die elk op 3,5 m van R werken.

32. Ontbind R = 100 kg in twee evenwijdige krachten, waarvan de grootste 60 kg is, terwijl de afstand tot R 80 cm is.

33. Ontbind R = 25 kg in twee krachten, waarvan de kleinste 40 kg is en op 2,60 m rechts van R werkt.

34. Een transportkabel overspant 13 m. Als de belasting, groot 500 kg, in het midden is, zakt de kabel 1,80 m door. Hoe groot is de spanning in beide kabelstukken?

35. Een polsstok maakt een hoek van 70° met de vloer. Hij wordt met een kracht van 26 kg in de richting van de stok tegen de vloer gedrukt. Bepaal de grootte van de normaaldruk en van de kracht langs de vloer.

36. Van een kapspant helt het ene spantbeen onder een hoek van 60° en het andere onder een hoek van 30°. In het bevestigingspunt werkt een vertikale kracht van 1600 kg. Bepaal de spanning in elk spantbeen.

37. Drie evenwijdige, gelijkgerichte krachten, Kx = 16 kg, Ko = 12 kg en K3 = 20 kg, werken op onderlinge afstanden van 10 en 8 cm. Bepaal grootte, plaats en richting van de evenwicht-makende kracht.

Sluiten