Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beurs een wasdoeken boekje, ,,'t Is toch al een mager karwei, aan zoo'n zandbak. En met groot werk varen ze naar Rotterdam, daar zijn wij zeker niet mans genoeg voor."

„De vrouw van de Gezina komt vanavond terug," zegt de teekenaar.

„Zoo."

„Ze is nog niet veel waard."

„Buiten het ziekenhuis is 't goedkooper. Zij is nou geflikt en toekomende week is de schuit geflikt, laten ze tevrêe zijn. Liggen er nog materiaalbonnen?" Ze teekent voor zestien meter drieduims merkelijzer en vier grenen baddings, te verwerken aan de Gezina. „En de nagels?" vraagt ze. „Wordt hier hout zonder nagels verwerkt? En de menie voor dat ijzer?"

„Die zal er nog zijn."

„Ieder order ampart en wat overig is, kan afgeschreven worden van de lei."

„Dat is dubbel werk."

„Maar dat is secuurder en we doen het hier, zoo 't hier voorgeschreven is. Atju en denk om den brief voor Zijnedele: boter bij de visch."

Maar waar zit baas Marius? Dat is geen vragen. De zandbak heeft geen roef en de werf is maar met twee schepen bevolkt, 't Is warm en riant in de woning van de Gezina, al is 't er armelijk en onderkomen; maar de houtbaas op een werf behoort bij het werk te zijn. Wat weet Marius ervan, waar op den moment z'n timmervolk uitklungelt? Maar de loonuren gaan door en alle bedrijfsonkosten ook. Ze stampt eens tegen den wand van de Gezina met haar stok. Onderwege stampt ze ook eens tegen 't gemak, dat over 't water is gebouwd. „Schijt je niet, dan rust je toch!" barscht ze, ongeacht of ze weet, of het ditkeer raak is. Maar ja, 't was raak; er zat juust een dollyman in, netjes de krant te lezen. De sport, de sport en nog eens de sport; de Kroonprinces komt op de zooveelste plaats.

Sluiten