Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

spoor moet zetten. Bart Zwartewaal verdraagt met groot gemak haar blik, want haar oogen zijn nu zoo manhaftig niet meer. Loopen er toch bevingen over dien vent z'n polsen? Of beven haar eigen oogleden? Wat wil die man, wat broeit hij uit?

Dan staat ze maar op, hoewel ze verlegen is met haar eigen gebaar. Hij geeft haar de hand. „Al was je, zoo zegt hij trouwhartig, „nog grooter loeder, dan ze me van je verteld hebben.... ik ben niet meer bang voor je. Da's veel gezegd waar?" Ze knikt en klautert de kajuit uit, met moeë beenen. Gelukkig; ze ziet daar direct wat ongerechtigs op de werf, haar werf. Ze tornt er heen, strikt onderwege haar baalzakken schort weer voor; ha.... haar commando wordt daar vereischt. De beklemming valt van haar af, als ware het een nachtmaar geweest, die verdreven wordt door te ontwaken. De Kroonprinces moet overal zijn, moet oogen hebben, van voren, van achteren en weerszij.

Tot de avond valt is ze present en overal bij. Dan stroomt haar werf leeg en kijken, in de holle montageschuur, de ponzen en boormachines elkander aan. Ze loopt in het schemerlicht tussclien de dingen van ijzer en ze zijn haar vertrouwd. Alle werktuig heeft een gezicht. Het te verwerken materiaal is vreemd, het komt en het verdwijnt. Maar de werktuigen kent ze van weten komen tot nu. Dat het werkvolk hier een oud koffiekannetje achterlaat, daar heeft ze het niet op; dat ook is vreemd en niet eigen, dat hoort hier niet. Ze wil hier in het donker tusschen het hare loopen, gelijk een blinde en toch zonder te tasten, alles wetende staan en alles wat vreemd is, opgeruimd en uit haar gezichtsveld. Want ze verdraagt niet veel, zeg liever... ze draagt niets buiten den regel van 't gewone doen. Vooral hedenavond niet.

Dood alleen ligt daar die Bart Zwartewaal met zijn gebutste klipper voor den wal. Wat wil die hooge trotsche vent, trotsch in zijn armoei? Wat wil hij van haar? Heur

Sluiten