Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK III HET BEGEERDE BOEGBEELD

„De Geziru:" is vrij om te gaan," zegt Cato. „De rest van de rekening, dat is omstreeks negentig gulden dat houden we tegoed. En als jij daar wat op te commandeeren hebt, Marius en als jij dat niet doen en wil, dan kan je op staanden voet dooddonderen ook, wat mij betreft. En dan schiet ik het voor als het moet, van m'n eigen. Want ik heb geen nieuwe rekening meer gepresenteerd in deze omstandigheid."

Dat zei de kroonprinces op den Donderdag, toen de Gezina klaar om te water te gaan en weer te gaan dobberen — maar zonder vrouw — hun werf zou gaan verlaten.

Maar Marius zegt, dat hij bekant geen asem kan halen; de verbazing is hem te machtig. „En ga jij dat nou maar overbrieven Marius," zegt ze achterna: „voor zulk soort risico-affaires ben ik niet de ware."

„Maar," zegt Marius: „weet je dat wel zeker ?"

„Wat bedoel je?"

„Dat je de Gezina wilt laten wegvaren, zonder dat de leste rekening is betaald?"

„Ben jij dan nog harder dan ik?"

„Nee, maar ik docht, ik docht...."

„Jij docht morgen maar. Heb je liever, dat ik de rekening presenteer, ben je bang voor die negentig guldens? Wou jij-."

„Nee ik ga al, maar ik docht, Cato vergist heur eigen."

„Cato vergist heur eigen nooit."

Het is de aangenaamste boodschap geweest, die Marius

Sluiten