Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ik nou eerlijk zijn, ik vind, dat jij ook nogal meevalt. Je hebt me op je werf laten komen en beloofd, me niet kapot te maken. En dat had je zeker niet gedaan, dat weet ik."

„Je bent het anders wel waard, lammeling."

„Waarom, duif ie?"

„Dien brief heb je al een week bij je, zie ik."

„Ja.... en wat zou dat?"

„Mocht ik dat niet eer weten?"

„Mocht ik nou nog niet eens een week pleizier ervan beleven, jou te zien zweeten om je lieve geld je?"

„Ik heb nog nóóit zoo'n lammeling gezien."

„En ik nog nooit de kroonprinces zoo mooi opgetuigd. Was dat allemaal om mij te komen vertellen, dat er geld moest komen? Hoe zeiden ze vroeger ook weer? Als de beul z'n jas met goudgalon aantrekt, sterft er een vent onder de bijl."

„Heb je me nou genoeg gesard?"

„Maar.... menschen nog aan toe.... sar ik jou? Maar dan vergis ik me, of vergis jij je. Ik wou je heelegaar niet sarren. Ik heb veel te veel respect voor je. Want opgehangen had je me toch nooit."

„Hoe weet je dat zoo krek?"

„Ik had je woord en daar ben je me goed voor. Ga zitten, neem een stoel.

„Zal je dan nu eindelijk zeggen, wie of van mij toen zoo geschonden heeft?"

„Nee zeker niet. Al repareerde je m'n schip voor niks, ▼oor je gezondheid.... dan nóg niet. Want die ander, die heeft mijn woord. Maar ik zal hem, om zijn woord, omdat h\j jou bekladderd heeft, een paar tanden uit z'n bek «laan."

„Hè?" Ze stond op. „Wat ga je doen?"

„Ga toch zitten, lichtschip Onrust. Ik ga niks doen. Tenminste vandaag niet. Ik doe daarna ook niks, tot ik den schenner tegen kom. Maar dan gaan een paar van z'n tanden vliegen."

„Je bent een wilden, goeien vent," zei ze verteederd.

Sluiten