Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Zoo. Een lammeling, een sarder, een verdommeling en nou weer een wilden goeien vent. Dat is nogal wat bij elkaar. En, hoe is 't met je hart?"

„Begin je weer?"

„Mensch nog aan toe.... mag de goeie vent nog niet eens naar je hart vragen? We kennen elkaar nu al veertien dagen, en nög weet ik niet, of er wel een hart.... daar.... onder je jurk klopt."

„Blijft van me af!"

„Ik wijs alleen maar naar je, kroonprinces. Je kijkt weer naar me, of je bijten wilt. Ik heb nog nooit zoo'n haatdragend vrouwspersoon gezien."

„En ik nog nooit zoo'n astrante schipper."

„Zoo...." zei hij lacherig en voor ze er op verdacht was, schoof hij de tafel opzij en greep haar. Ze wou schreeuwen, maar ze deed het niet. Ze sloeg en schopte stom, probeerde hem te krabben. Maar wat was die Bart Zwartewaal sterk. Alsof haar wild verweer niet bestond, alsof ze gelijk een lam in z'n armen lag, zoo rustig hield hij haar vast. En toen heeft hij de spartelende kroonprinces tergend kalm tegen zich aangedrukt, 't Wier stil in de kajuit, ineens hield ook Cato zich rustig. Ze gaf zich over, ze ervoer het.... haar worstelen baatte toch niet. Zijn kop tegen haar borst tegen zich aangedrukt, 't Wier stil in de kajuit, ineens met een schreeuw, liet hij haar los: „Verdomd! 't Is waar, ze heit een hart!" riep hij: „ik heb haar hart hooren hameren." En lachend viel hij neer op de kajuitbank.

„Dat was gemeen!" siste Cato en trok haar rok recht.

Hij keek spottend op. „Was dat gemeen? Of.... was dat voor 't eerst, dat een man je getoond heeft, niet bang te zijn voor jou? Dat moest jou meer overkomen, kroonprinces, daar blijft een vrouw jong bij. Baaswijven drogen uit. En jij bent, als je 't mij vraagt, beter waard dan uit te drogen tot een commandant. Want...."

„Ben jij, Bart Zwartewaal, op onze werf gekommen, om mij het leven wee te maken?"

„Nee. Alleenig omdat m'n klipper overvaren was. Maar

Sluiten