Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

z'n hand op haar schouder neer. Ze kromp een beetje tezaam; huiverde ze van dien man? En toch, bang was ze niet.... maar hij was zoo'n vreemde, zoo n wdderik.

„Je zegt geen nee'?"

„Dat helpt bij jou toch niet.

„Goed bekeken, kroonprinces. Je wordt al zoo tam, als

een konijntje." .. .

Maar in zichzelve overlei ze: ....alles wat hij me geven za , ik neem het aan, maar ....'t gaat gelijk de IJssel in. Ik laat me niet bruskeeren door zoo'n schipper. Hij mag dan sterk zijn in zijn armen, nog sterker is haar wil. En haar wil wil vrij zijn, ongehinderd zijn, haar wil wil gezeggen. Toen zweeg hij en ook zij zweeg, de handen in haar schoot. />

wachtte. , . , ....

Maar hij stak een pijp op en dampte haar vrmdelyk

toe, tegoeiertrouw alsof hij haar eiges vent was. Opstaan dierf ze niet. Neen.... ze zou wachten. Hij had ommers een aandenken.... Ze wachtte en hij rookte. Soms, soms, als haar blik niet meer rusten dierf op één vast punt en zwerven ging door de kajuit van de Semper Avanti, vingen zijn lacherige plaagoogen, die achter dikke oogborstels zaten, de hare op. Hoe is het mogelijk, dat die manhaftige Cato daar bekant verlegen onder werd; haar wezen wier hulpeloos. En ook hij wachtte. Wat duurt het lang, aleer zoo n lange Saksische hangpijp uitgerookt is. Ze hoorde ineens ergens tikken, 't Was te zacht, dat het een klok of wekker kon zijn. Neen, 't klonk bij Bart eiges.... ze hoorde z n horloge tikken. En buiten hoorde ze toen ook nog een koe in 't land neuzelen en neuren.... daarachter was de stilte van den polder. Zóó stil was het, dat — menschen is het mogelijk — ze hoorde ook geluid in haar aderen. Haar bloed was nu rustig, maar toch hoorde ze 't gaan en komen. Wat is dat vreemd en 't kón toch niet waar zijn, al zeggen de wakers bij een doode ook wel eens, dat ze hun eigen bloedstroom hooren ruischen. Toch wou ze de minste niet

zijn. Nooit! ,

Tweemaal reeds heeft die beul van een vent haar de

Sluiten