Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ik vat jou niet, vreemdeling."

„Toch ben ik klaar genoeg. En je weet alvast, mijn woord is mijn woord. Veranderen doe ik nooit. Wil je, dan kom je en ga je mee. Wil je niet, dan wil je gelijkertijd het boegbeeld niet. Atju."

Ze boog haar kop, met de bruin-uitgeslagen haren, waar nog aardig wat kroezing in zat. Daar duvelde ze neer van haar stellage. Ze was hier binnen gekomen, om hardvochtig maar welverdiend een hoovaardigen astranten vent mores te leeren. En ze had, toen ze kwam, een sterk wapen daartoe.... gelijk ze meende. Daaraan ontleende ze toen nog haar zekerheid, om frank de kajuit binnen te stappen, waar ze den vorigen keer zoo grof bejegend was. Dat wapen — haar geldelijk overwicht op den armen schipper — sloeg hij haar met den brief uit de hand. En de eene por volgde op den andere, telkens als ze dien bonk meende te bedwingen, douwde hij haar weer terug in vrouwelijke onmacht. En nu, met een — atju! — joeg hij haar van z'n schip. En zonder dat ze nog besloten had.

Ze hief zich op. „Barsten kan je!"

„Dank je!"

„Ik laat me eiges een beeld snijden!"

„Welja doe dat. Maar de echte kroonprinces, waarnaar jouw werf hiet, is dat niet."

„Maar wat heb ik eigentlijk aan dat beeld. Waarom moet er hier een beeld op de werf staan?"

„Ja, dat vraag ik ook. Dan laten we het jonkie met de kroon op haar houtere krullen rustig waar ze is.... en dat spaart jou beton."

„Mag ik Marius dan meenemen?"

„Marius? Is dat dat end broer van je? Die kunnen we getweeën goed missen; wat jou?"

„En wat zal het menschdom zeggen?"

„Wat mij betreft zeggen ze: de kroonprinces is er met een schipper van door. Als ze je 's avonds weer terug zien, moeten ze van eiges zwijgen."

„Is dat je laatste woord?"

Sluiten