Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK IV

PASSAGIEREN MET EEN KLIPPERSCHIPPER

De Semper Avanti vorderde. Zware dagen waren dat voor Cato. Iedere nieuwe spant, iedere nieuwe plaat, die het ingedeukte staal kwam vervangen, beteekende een schuifeltje nader tot het oogenblik, waarop ook deze schuit haar roestig gedoetje zou gaan verlaten. Dat schepen gaan, daar was zij aan gewoon geraakt. Bij hen was 't precies een logement met gaanen en komenden. En daar had ze nooit hartzeer over. Maar als straks de Semper Avanti gaan zou, en daarmee die nazaat van den schipper, die hun werf de eerste clandisie gunde, dat was wat anders. Want hoe geraakte ze op fatsoenlijke wijze aan dat houten boegbeeld? Hebben wou ze 't, hebben moést ze 't. Dat zat als een gewistheid in haar kop gehamerd. Maar hoe?

Om te voorkomen, dat ze ook in de oogen van Marius de minste zou zijn, zweeg ze over wat ze wist. Welke dwazigheid zou Marius haar wellicht niet geraaien hebben? Dat is geen man voor besluiten in ware zaken. Maar die Bart Zwartewaal mocht zóó niet aan haar handen ontglippen.... eerst het boegbeeld, dan kon hij gaan en voorgoed.

Ze sprak hem zelden. Op een scheepswerf, zoo klein als de Kroonprinces, kunnen twee menschen elkaar wel kwalijk ontloopen, maar je kunt in 't ontmoeten even kort en lang zijn, als je zelf maar wilt. En Cato wilde liever zóó kort zijn, dat de onterik van eigens toegeven zou. Maar dat deed Bart Zwartewaal niet; die schiipper zat op den besten stoel en dat scheen hij maar deksels goed te weten. Toen kwam ze maar weer eens op z'n pad:

4

Sluiten