Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet, want morgen ben je één dag je eigen, ben je één dag juffrouw Cato, en niet zooals heel je leven lang een werfknecht onder de werfknechten. Want eigenlijk ben jij nog minder dan een daglooner, en zooveel als een slaaf. Want je werkvolk is nog óóit vrij.... jij moert en poert tot diep in den avond. En wie is des morgens het eerste present ? De kroonprinces."

„Anders begappen ze me."

„En nou begap jij je eigen."

«Zoo. Maar wat begrijp jij van een scheepswerf?"

„Nou moet je eens goed verstaan, slaaf van je bestaan.... ik heb geen meelij met jou, baas zijnde van deze doening, want je bedrijf rendeert best, en je doet het je eigen aan. Maar ik vind het zonde en jammer, dat een jong struisch wijf oud en roestig wordt, zonder dat ze weet wat het leven heeft verkregen en van 't goeie, dat er voor een vrouwmensch te koop is. Die houten princes hoort op jullie werf, ik maak er zonde van, dat beeld eigens te behouden. Ik geef het af, zonder tegenwaarde, alleen omdat ik vind dat het op jullie werf past te zijn. Maar jij bent niet van hout, Cato. En jij hoort daar niet, tusschen de baddings en de profielen."

„Ben je van plan, morgen heel den dag zoo den boetprediker uit te hangen ?"

„Voor den verdom niet! Morgen ga ik niet met een roestig scheepstimmerwijf op stap, maar met een opgepoetste dame van statie. Morgen zal het feest zijn!"

„Jouwentwege? Goed. Maar wat mij betreft, ik had het voornamer gevonden, thuis dat beeld op te wachten."

„Een vrouw is maar voornaam zoolang een vent haar niet buigt."

„Daar heb ik geen antwoord op, Bart Zwartewaal, maar...."

„....Maar je zou me vroolijk een paar oog uit kunnen krabbelen waar?"

„Waarom praat jij toch altijd over zulksoort vreemdigheden?"

Sluiten