Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„O zoo, en varen jullie samen ? Is dat goed bekeken, Bart. Dan kost het kalefateren je zeker ook maar wat losse duiten; goed bekeken."

Cato kijkt hem aan. „Moet jouw schip opgeknapt worden?"

„Ja."

„Zullen wij 't begrooten? Degelijk werk maar.... comptant."

„Begrooten is best. En als je te duur bent, dan...."

„Dan gun je 't een ander."

„Nee, an' doe je 't goedkooper en als dankjewel mag je met mijn óók een daagje uit, al 't was een heele week, naar den Bels op aan. Daar leven ze luchtig, weet je."

Maar dat had de kastschipper niet moeten zeggen. Want zijn laatste woord was nog niet koud, of haar beugeltasch striemde tegen zijn facie. Bei zijn oogen zwollen op; Cato had heel geen zwakke hand gehad. „En!" riep ze hoonend: „Je gaat met je lekke mand maar naar de Rotterdamsche credietwerven! Bij mijn is alles comptant, tot de slagen toe, voor wie me te na komen, vuilbek!"

Toen de kastschipper weer uit zijn dikke oogen kijken kon, stond Bart Zwartewaal beschermend tusschen hem en haar. Hij docht wel, dat van der Made het vrouwmensch niet te na zou komen, maar zeker is zeker. Hij gaf hem tot goeien raad, een mooi poosje in de kajuit te kruipen, tot de loopbrug uitlag op de Westerkade. En de vent was zóó onthutst, dat hij zich nijdassend overgaf en van 't dek verdween. Maar tot juffrouw Cato zegde Bart Zwartewaal: „Dat komt er nou van."

„Ja, zeg dat wel. Omdat jij me geprest hebt, mee te gaan."

„En je ging mee uit eigen verkiezing. Ik sprak vanmorgen toch af alleen te zullen varen?!"

In die klem zat ze gevangen. En ze voelde haar zekerheid weer wegglijden tegenover dien vent. „En toch zou het mijn schuld zijn?"

„Je eigen schuld, juffrouw Cato."

„Heb ik dan aanleiding gegeven voor die vuilpraat?"

Sluiten