Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

,Beware me.... niet met je mond. Je bent netjes genoeg in den omgang dat is het niet. Maar als een mol boven aarde verschijnt, dan is hem dat vreemd en knippert hij met z'n oogen vanwege al het licht."

„Ben ik ook zoo vreemd ?"

„Ja. Je bent een statig wijf, dat ben je. En in de kracht van je leven. Maar naar je kleer te oordeelen heb je tien jaar ievers op de Mookerhei gezeten of in een gesticht. En je kijkt een man fel aan — natuurlijk alleen om te sjacheren — maar op een manier die anders is, die niet gewoon is. Je weet het misschien eigens niet."

„Nee zeker niet."

„Dacht ik wel. Maar de kerels die je aankijkt met je felle oogen en waar je tegen praat als tegen kameraden van oudsher, weten niet precies, of ze je moeten slaan of zoenen. In elk geval, je brengt ze in de war. En als je op de werf bent, in je toddenkleer, bijna een mansvent lijkend.... dan zouden ze je slaan als je 't ze te na maakt met je geldkwesties. En vandaag, in je zondaagsche oudmodische kleer...."

„Zie ik er dus uit als ware ik van losse zeden."

„Dat niet. Maar wel ziet het mansvolk wat vreemds aan je. En dat is je eigen schuld."

„Hè?"

„Natuurlijk. Dacht jij soms, dat jouw mannenwerk van allendag geen spoor op je achter laat? De mannen behandelen je rauw? Jij doet het hun. Ze praten over dingen met je, die ze tegenover vrouwen verzwijgen. Jouw levenswijs brengt ze er toe."

,,'t Mag zijn, maar ik vertlraag van niemand niks. Die me te na konien, met vuile taal of gebaren, die sla ik."

„Behalve als ze je naar je hart vragen, waar €310?"

„Waren we maar weer terug."

„Eerst toch het beeld...."

Ze veerde op en nam zich voor, alleen nog aan het beeld te denken. Maar bij Krimpen begonnen de werven, de machtige doeningen, waar zeeschepen op in aanbouw waren.

Sluiten