Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Er hing daar een wild geratel rond van luchthamers.... dat hinderde haar. Dat stak haar. Want al was naar haar vaste weten een schip alleen goed geklonken, als 't met de hand was gedaan... toch... ja toch... het waren machtige bedrijven. En ze kon nu wel schelden, maar daar grommelde wangunst onder. Want zou ze niet omruilen willen? Wat een gedachte.

precies zoo ze altijd aan de IJssel was — een grootsche dame zou ze er niet voor willen worden — als heer en meester over duzend man werkvolk, 't Eerste wat ze deed, was Marius werk geven, waarbij hij met de ambachtslui niet meer hoefde om te gaan. Ha, wat zou ze glorieeren. Ze weet het zeker.... geen vierduit materiaal zou haar ontstolen of onnut gebruikt worden. Gelijk ze oog heeft op alles wat er op de Kroonprinces passeert, zou ze ook een groote werf onder haar duimen weten te houden. Nooit iemand vertrouwen, overal zélf bij zijn.

„Een mooi bedrijf," opperde Bart Zwartewaal en wees naar den wal.

„Daar reepen ze je schuit uit z'n fatsoen, op zoo'n Iangshelling!" was haar bitsig antwoord. Toen gaf hij 't maar op; van daar tot Rotterdam is dan nog maar een zuchtje.

„W aar gaan we opaan ?" vroeg ze, toen ze langs het Maasstation voeren.

„Geduld, geduld," zei hij op z'n gewonen plagerigen toon, maar daar was ze op dat uur niet van gediend. En ze vond het nu toch te flauw om weer eens aan die afspraak te herinneren, die afspraak dat hij alles doen zou vandaag, wat zij hem vragen zou. Neen, koppen en bokken lag haar in deze stemming nader. Als ze zoo fel dwars door hem heen keek, dan wist hij 't wel, dan stond het ongedurige wijf van binnen weer in gloed. Hij kreeg lust, haar bij de schoeren te pakken en hartig door elkaar te rammelen, als ware t een ondeugend jong ding, een zoo tusschen pruimen en krenten. Maar er was hier te veel dak op 't huis voor zoo iets familiairs.

En dan.... hij verstond haar woestheid toch ook wel. Want vlak tegenover hem stond die geslagen schipper, die

Sluiten