Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Och; de werf mag er eigentlijk niet onder lijden. Als hij nou verder deftig blijft, dan is 't misschien nog wel te vergeten."

,,'t Zou zonde zijn om het te vergeten."

„Dat hij m'n naam geschonden heeft?"

„Heel niet. Maar dat hij je zoo graag mag lijden, want dat ziet een blinde. Ondanks z'n blauwe lampie wil hij bij je dokken komen. Is dat niet trouw ?"

Ze gaf geen antwoord meer. Maar overwoog: komen kan hij, als hij ervoor betaalt.... maar dan zal toch eerst de Semper Avanti vertrokken moeten zijn. Want het vooruitzicht, om door Bart Zwartewaal van uur tot uur begekt te worden, over de verliefdheid van dien kastschipper, dat trok haar niet aan.

Die Bart praatte toch al net, of hij tot haar familie behoorde en niet slechts een toevalligen passant was. En wat is een schipper op haar werf anders? Iets meer dan een zigeunder in een kermiswagen, maar niet veel meer.

Ze stonden in Rotterdam op den wal. En ze geleken een echtpaar van de binnenvaart. Al hadden ze in een dure auto gezeten, dan nog zag elke kenner: deze twee menschen zijn met schepen vertrouwd, de scheepvaart levert hun bestaan. Toch droeg Bart Zwartewaal geen schipperspet. Maar heel zijn wezen trok naar de schipperij. En wie juffrouw Cato aankeek, hij rook al de zoele geuren van een victualiënkelder. Ze vroeg niets meer, maar volgde hem, langs kaden en door straten, vele straten. Tot hij een kantoorpand binnen trok, waar hij op het eerste verdiep belde aan 't loket. Ze werden in de wachtkamer gelaten. Ze was nu dicht bij het doel, nog maar even wachten. Maar dat duurde lang. Eindelijk vroeg ze, toen ze een oud nummer van Scliuttevaer al zesmaal doorgekeken had en wat daarin stond wist ze toch ook van thuis al: „Waar zijn we hier ergens ?"

„Bij Notaris Niekerk."

„O zoo, de dispacheur?"

Sluiten