Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Die ken 'je zeker wel."

„Van brieven en door de telefoon. Ik geloof, daar komen veel schippers. Is 't jouw Notaris ?"

„Ja. En ook van ons thuis altijd geweest. Ook al, toen vader nog leefde. De Niekerks weten met schippersvolk om te gaan."

„Maar ze laten je bar lang wachten. Daar heb ik 't niet op. Je bent toch z'n klant."

„Ja Cato.... ik versta je. Jij denkt natuurlijk: als bij mij voor den wal een schippertje komt met een lappie huid er af, ofwel gebutst en ik laat hem zóó lang wachten...."

„....Precies, dan vaart hij door. Maar groote heeren hebben allemaal zulke fratsen. Ik zou maar eens gaan kloppen."

„Wat zal dat helpen, als er volk bij meneer is."

„Zooveel, als dat die ander wat gaat voortmaken."

„Nee Cato.... dat doe ik niet."

„Dan doe ik het." Overleggen en doen was doorgaans één bij haar. En ze was de wachtkamer al uit en bonsde op de kantoordeur. Een juffertje in een vlindertjesjurk deed verbaasd open. Ja zeker, Cato wist óók wel waar 't loket was, ja ja, meneer leit in de conferentie; zeker, meneer mag niet gestoord worden.... „toch ga jij maar zeggen juffertje dat schipper Zwartewaal er is en dat is een klant van je meneer."

Heel tevreê kwam ze terug. „En nou zal je 't zien, Bart, nou is het wachten ree gedaan." En dat kwam ook uit.

Notaris Niekerk ontving hen ernstig. „U hebt haast, Zwartewaal? Of viel het wachten wat lang?"

,,'t Een wat meer dan 't ander," was zijn behoedzaam antwoord. „Ik kom om het beeld."

„Om wat?"

„Ik heb hier, jaren geleden, een boegbeeld achtergelaten en U zou 't bewaren was de afspraak."

„A juist, ik weet het weer.... van de Kroonprinces. Een gekroond vrouwenbeeldje. En wou je dat nu terug hebben, Zwartewaal ?"

„Ja, graag meneer."

Sluiten