Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Cato in 't nauw Ie drijven; dat beleefde hij Mg liever. Daarom bleef hij er compleet buiten. De ruzie was Cato bovendien toevertrouwd.

De notarisdochter is toch wel wat onthutst van die strenge oogen, zoo pal op haar gericht. „We hebben dat beeldje al zoolang mij heugt," zegt ze benepen.

„En toch was 't al die jaren niet van uw papa. Daarmee uit! We kunnen hier niet over en weer praten blijven. Ik neem het mee, goedschiks of kwaadschiks!"

En dat gezegd hebbende vatte ze het beet en tilde het manhaftig van 't voetstuk. Dat viel wel niet meer, maar Cato was zwaarder vrachten gewoon. En het lukte. Daar stond nu de kroonprinces naast het piedestal. Wat leek het beeldje nu nietig. Maar het meisje was er óók nog. Gillend en weenend vloog ze op Cato toe. „Nooit! Nooit! Versta je; help!!"

Eerst toen kwam haar moeder en later nog een jonge man. En toen werd er daar in de hall natuurlijk menig woordje wild gewisseld. De een verstond den ander niet meer. Niemand luisterde, een elk zei luid wilde onbekookte dingen. Ineens stond de Kroonprinces, zij 't een kwartslag uit haar oorspronkelijken stand, weer op het piedestal; werk van dien jongen kerel, die ook flink pootig was.

„En nu is 't mooi geweest. Dat beeld is van ons, waar moeder? Niemand kan daar rechten op doen gelden!"

„Jawel," zei kalm Bart Zwartewaal, die al dien tijd nog niets gezegd had. „De juffrouw heeft daar echtig recht op."

„Hoe zit dat dan?" vroeg mevrouw en er kwam wat kalmte, omdat die bedaarde schipper nu wat gezegd had.

„Laat zij dat maar weer eens vertellen," adviseerde hij, maar Cato beefde zoodanig van verkropte woede, dat ze alleen nog maar krijschen kon, in felle stootende uitroepen.

Toen werd heel wijselijk besloten, den Notaris op te bellen en die maakte duidelijk, dat het beeldje afgegeven worden moest. Waarop het meisje huilend van spijt om haar bezit begon te smeeken. Bart Zwartewaal kon dat

Sluiten