Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Drink je niet, juffrouw Cato?"

„Eerst het beeld eens goed bekijken," zei ze benepen, bang voor nieuwen spot. Ja, zijn overmacht door dat sarren schauwde ze.

„Dat is waar, je hebt er genoeg voor moeten verduren," zei hij, teerder dan ze van hem verwacht had. En hij zette twee stoelen uit en op die stoelen het beeld. Toen ze er in volle overgave zwaar asemend naar zat te kijken, kwam de baas ook eens bij hen aanloopen, van z'n tapkast uit. Maar ze gaf geen ree antwoord op zijn vragen om uitleg en de vent was dan ook weer direct waar hij hoorde; achter zijn bierkranen. Geen familiariteiten.... van vreemd volk had Cato vandaag schoon genoeg. En ze wou haar bezit in vrede bezien. Maar was ze daar nu al rustig genoeg voor?

Ze zag een vreemden vrouwenkop van hout, in een kraag bekant weggedoken. Wat had die vrouw of dat kind — was ze oud of jong — wonderbaarlijk haar. Dikke strengen in krullen, erg natuurlijk en toch weer niet. En koele oogen. Oogen, die tot een man nooit gelachen hadden, oogen gewoon om in het water te staren. Wat heeft zoo'n onnoozele hals ooit aan het boegbeeld gezien. Dat past heelemaal niet bij een juffertje in zijden kleer. Deze kroonprinces van hout is niet juffertjesachtig, niet kleurig, niet flodderig, niks voor zoo'n notarisdochter.

Is het nu een mooi beeld? Ze weet het niet zuiver; zou daar niet ja op kunnen zeggen. Wat weet Cato evenwel van de mooie dingen? Ze vermag van een schip te zeggen, of 't welgebouwd is of lomp; ze weet mooi timmer hout, fijn lakwerk te waardeeren, ze weet zuiver, of een beschot mooi gepolitoerd is, een schip mooi afgewerkt, mooi geschilderd en ze weet ook terdege de kleuren uit te kiezen, die passen bij elk schip naar zijn aard, maar dat gaat volgens de traditie.

Maar of dat nu een mooi beeld is? Ze weet alleen, dat het een vreemde verschijning is, die houten meid met haar kroontje recht op de volle haartressen in den krul. En

Sluiten