Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en alles statie wat er aan en d'r om is? Knechten en meiden tot haar dienst, dure kleer en lekker eten? Neen. Zoo wijd strekken haar verlangens niet. Zij wil alleen maar werk. Veel werk en werk waaraan beklijft. Waarom eigenlijk? Ja, waarom?

Ach, hoeft ze dat niet verder af te denken? Mag dat nu maar ongewis blijven, vaag en gelukkigmakend? Een varkensboer ruikt graag den stank der zoggen.... zij verkeert nu eenmaal graag in de prikkelende geuren van ijzerroest, teer en touw. Zij ruikt graag een oud schip en vraagt liever niet naar 't waarom en daarom. En dat beeldje, al is 't eigenlijk maar een stijf maaksel, hoort ook bij de scheepvaart. Het is een vrouwspersoon in hout van schippersafkomst. Het is van 't water afkomstig en daaraan toebehoorend; daarom behoort het zoo rechtens haar tliaus toe.

En er wast weer wat genegenheid voor dien astranten klipperschipper, die haar dit kleinood heeft afgestaan. Toch wel een borst, al weet hij haar te sarren. Zie dien vent daar zitten, breeduit en gelukkig om haar geluk. En waarom eigenlijk? Wat drijft hem er toe, een vreemde geluk toe te werpen? Wat voor betrekking bestaat er eigenlijk tusschen hem en haar. Marius hoort bij haar; zij zijn voortgekomen uit hetzelfde nest en hebben gegeten aan dezelfde tafel. Maar zoo'n vreemde? Ze heeft en houdt haar beeld en ze is dankbaar; maar eigens zou ze nooit of nooit aldus een vreemde gedenken. Hij had het haar toch kunnen verkoopen, ook aan dien dispacheur. Wat waren ze in dat huis er fel op gebeten. Bij al de rauwe taal die ze erom heeft moeten aanhooren, toch ook wel een aangenaam besef. Zoo eindigde dat denken weer waar het begon.... ze is gelukkig met haar beeld.

En ineens zegt ze als een vent: „Bart Zwartewaal, wat ga je drinken?"

„Alles waar ik trek in heb en eigens bestel. Wat mag ik je laten brengen?"

„Ik betaal."

Sluiten