Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Bestaat niet."

„Begin je weer?"

„Heel niet. Ik zal alles doen wat je me vraagt vandaag. En daarom zeg ik je: vraag.... en ik zal 't betalen."

„Maar als ik toch wil betalen, zal jij toch alles moeten goedvinden vandaag."

„Waar is waar. Maar liever heb ik dat niet. Je hebt nu je beeld en je bent er feestelijk mee. Zal je dan nooit verleeren, je eigen zin door te drijven? Komt het mij nu niet toe, dat je als weêrdienst mij vandaag met je laat betijen? Drijf jij nou maar eens willig met den stroom mee."

„Doe maar," zegt ze rouwmoedig: „je hebt het aan me verdiend."

En Bart Zwartewaal bestelt Voorburg en gevulde koek. Het smaakte allemaal goed en steedsch, toch neemt ze al dat goede maar achteloos waar. Want naast haar, op twee stoelen, staat de houtere kroonprinces, gekroond, getooid, met haar stijve krullen en levende oogen. Nu pakt de klipperschipper haar bezit in gonje en omstrengelt het met touw. Ze kan die oogen niet meer zien, maar weet ze aanwezig onder het vormlooze plompe pak, dat hij er van gemaakt heeft. En zelfs dat besef is aangenaam.

„En nu," zegt hij luchthartig als een jonker: „nu nemen we een rijtuig naar de boot."

„En dan varen we vroeg af naar Gouda," laat ze er schielijk op volgen.

„Eerst nog wat dartelen," oppert hij. „Een mensch is maar eenmaal uit."

„Je kunt uitgaan, zooveel als 't jou belieft, Bart; ik ben thuis het beste besteed."

„Nooit houdt die tegenspraak op bij jou, Cato. Eerst zijn we 't er over eens, dat mij ook wat toekomt — voor wat hoort wat — en als ik je vraag wat met mij op rit te gaan, ben je dat direct al vergeten. Accoord is accoord, Cato."

En weer geeft ze zich gewonnen. Het zou ook kwalijk

Sluiten