Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aaien. Dat deed dan wel pijn maar zoete pijn; dat onttrok haar aan vandaag, voerde haar naar haar bestaan van vroeger.... toen alles nog anders was. En omdat ze zweeg, maar wijl toch mild haar oogen waren, ging hij verder. „Heb je wel eens...." vroeg hij langzaam en met genegen nadruk.... maar ze liet hem niet gansch uitspreken en zei schielijk, doch zonder verbittering: „Neen nooit, Bart Zwartewaal; ik was altijd te leelijk."

„Maar je bent niet leelijk, Cato, je bent alleen maar hard. En dat doe je jezelf aan."

„Ben ik dan niet leelijk, Bart Zwartewaal?"

„Soms wel. Ja, meestal. Vooral als je 't over schippers hebt, die je met je vingers vastgrijpen wilt, om ze tot betalen te dwingen. Dan ben je naar m'n bevinden zoo lee lijk als de moer van den duvel, Cato."

„Zoo."

„Maar toch ben je mooi, kroonprinces. Mooi vond ik je van morgen op de boot, toen je van der Made met je beugeltasch sloeg. Toen was je rijzig en fel, als was je kwaad. Jij hoeft geen blommegie meer te zijn op jouw jaren. Mannen, zooals ik, die door de eerste wilde jaren heen zijn, zoeken geen blonde liefie's met zachte oogen meer. Wij zoeken een vrouw met pit er in. En pit zit er in, bij jou."

„Bart Zwartewaal, zoek je mijn?"

„Nee Cato; zoo bedoel ik het niet."

„Moet jij dan geen vrouw?"

„Nee Cato."

„Waarom niet Bart? Jij weet zoo ampart niet ze oni te gaan. Aan jou vertellen ze alles."

„Dat is zoo. Ze keeren zich om, binnenste huiten om, als ik met ze praat. En ik praat graag met een vrouw van goeien aard. Maar voor een ander is het weggelegd, er 't leven mee in te gaan, met alle aardigheid en narigheid die aan dat sleepanker hangt. Ik hou' van vrouwen...."

„Maar?"

„...ik hou' niet van één vrouw. Ik heb respect voor ze

Sluiten