Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ik weet niks van jou, Bart.... jij weet alles van mij. Je hebt me alles afgevraagd en ik had geen verweer, ik heb je alles gezegd."

„Je vertrouwt me...."

„En ik hou van je, Bart. Geloof je me dan niet?"

„Jawel."

„Waarom vertrap je me dan. Weet je wel, dat ik nog nooit met een man gesproken heb, zoo als met jou?"

„Dat vat ik zóó wel, Cato."

„Ja Bart.... en ik versta het eigens niet van me. Ik schaam me zoo."

„Omdat ik nou je handen niet vat en je niet naar me toetrek en je niet zoent, als een verliefde vrijer?"

„Omdat jij maar praat, en praat en vergeet, dat ik m'n kop voor je gebogen heb, wat zoo zeer doet. Ik vraag geen gezoen, Bart. Daar ben ik te oud voor. Ik wou dat je van me hiew, zooals ik van jou hou'. En niet om dat boegbeeld, dat mag op staanden voet verbranden — daar — maar jij hebt me laten beseffen, dat ik eigenlijk arm ben, arm en alleenig naast onzen Marius."

„Maar Cato.... ik hou' ook van jou. Je bent eerlijk, je bent een rechtvaardige meid. Ik vind je mooi ook en verstandig niet te weinig."

„En toch vaar je straks verder."

„Maar dan blijven we toch vrinden. Als je me wat zeggen wilt, dan schrijf je me een brief. Als 't hart je vol is, als 't je alleenig te benauwd wordt, dan neem je de pen maar."

„Ik kan alleen maar rekeningen schrijven. Al dat andere ben ik niet gewoon."

„Arme meid, ik wou dat ik je helpen kon. Je bent toch wèl een verschoppeling, dat ben je."

„Heb je een ander lief, Bart? Zeg het me maar."

„Ik heb de vrijheid lief, Cato. M'n schip op het water, als dat maar vrij is te gaan waarheen ik belief. Leg nooit een vrijen vogel aan een ketting vast. Het gaat niet, Cato. Als ik een vrouw zocht, dan zou 't een zijn van jouw aard: rechtschapen, resoluut en eerlijk toegewijd. En dan mocht

Sluiten