Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ze al de echte vrouwenkuren hebben, waar de vrouw aan gekend is.... nou en die heb je. Maar 't liefste blijf ik zoo ik ben, de vertrouwde van velen."

„Ach toch."

„Heb ik je vernederd, Cato?" vroeg hij deemoedig en hij kwam lomp achter haar staan en streelde dat door velen gevreesde baaswijf over het volle haar. „Ik wou je niet vernederen, Cato, ik heb het goede met je voor gehad en nog."

Ze kromp ineen onder zijn geringe koestering, alsof zijn hand haar brandde. „Zie je wel," zei hij nog: „Je bent de liefde ontgroeid. Je schrikt van me. Je bent een droge knop, die blom worden en bloeien wou. Dat heeft jouw mannenwerk gedaan."

„Wat moet ik toch doen, Bart, zeg het dan."

„We gaan terug Cato, jij naar je huis, ik naar m'n schip. Jij met je beeld, ik met het mijne, 't Beeld van jou, dat ik onthouden zal. Cato van de Kroonprinces, die nu weet, dat ze als vrouw het leven toebehoort en niet als vent het kerelsbestaan van alleen maar zaken doen."

„Je laat me desolaat achter, weet je dat Bart?"

„Toch zal je je weg vinden; het pad is gebaand, de schors is gespleten, 't Zal nog tot je welzijn verkeeren, heb maar vertrouwen."

Toen stond ze op. Want wilden ze de laatste boot nog halen, dan moeten ze nu eerst nog op Rotterdam aan, met de Reederijboot, de Krimpen. Tusschen de menschen spraken ze niet veel meer, of 't waren alledaagsche woorden. Op de Usselboot lieelemaal niet meer. Zij zat daar stil en in zichzelve aandachtig; naast haar stond het gonje pak, waar de Kroonprinces in was gebonden.

Ze was warrig en onklaar, met soms daartusschen door weldoende vredige momenten, waarin ze meende, dat geluk haar omspoelde. Dan droomde ze wakende van een blijde toekomst, een gansch ander leven dan dat op de werf, waar de IJssel IV haar weer onverbiddelijk naartoe schoof.

Soms zag ze, al mijmerend, dien tuin aan 't Kralingsche

Sluiten