Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Veer terug, alwaar ze zichzelve weer zitten zag, sprekend over liaar innerlijk, met dien schipper. Dwaas toch.... nog maar enkele weken geleden was die Bart Zwartewaal zooveel als een onbekende voor haar. Nu heeft zij — Cato de harde onbuigzame — letterlijk zijn voetzolen afgelekt. Wat erg.... wat schandelijk tevens. O, wat is dat vernederend.

Hij zit nadenkend naast haar in de kajuit. Bart zit daar ingetogen, en nu zonder sarderij. Ze ziet bij 't olielicht, dal er al wat haar grijst rond zijn ooren. Maar zijn postuur is recht, sterk, breed. Hij zal wel machtig in zijn armen zijn.... overweegt ze. Hij zal een vrouwmensch kunnen omarmen, tot ze kreunt. Zóó sterk.

Wat zal hij na heden gaan doen? Wat zullen de gevolgen gaan worden van den dag van heden voor haar? Heb maar geen bang — zoo troost ze haar eigen — Bart Zwartewaal is geen zwetser. Hij zal haar vernedering tot hem, niet uitdragen tusschen het volk; de overwinning die hij zelf trouwens niet gewild heeft. Dat vertrouwt ze zeker.

Maar toch.... al zal het volk er dan niet van weten, al zal ze gespaard blijven van achterklap en zeerdoenden spot.... hij zelf, die hoovaardige Bart Zwartewaal weet er van. En dat is nooit meer ongedaan te maken. Het is, of er een stuk porcelein is gebroken. Natuurlijk, dat kan gekramd worden; maar al geschiedt dat onzichtbaar, het is en blijft een gekramd stuk porcelein. De hooge gave toon is er uit, als men er tegen tikt. Want alsdan klinkt gekramd porcelein troebel.

En daartoe is zij gedreven. Door dien klipperscliipper? Of door haar eigen, onklare gemoed? En wie en wat jaagt haar nu weer, zichzelve aan te kijken in den smallen kajuitspiegel? Wat staan haar oogen strak, 't Lijken wel houtere oogen.... de starre open oogen van de Kroonprinces, van haar beeld, dat ze mee naar huis voert. Het beeld, het restant van haar al te laten geluksdroom.

Sluiten