Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is.... en het zal 't voor lief moeten nemen, dat liaar huis een nijver werkhuis is.

Op een scheepstimmerwerf is zij haar bestaan begonnen, deze houten princes; aldaar is ze voor het eerst aan de vrije lucht overgegeven om te gaan zwalken. Nu is het gekroonde vreemde vrouwspersoon wéér op een werf. Er wordt daar minder hout vertimmerd dan vroeger, maar meer geklonken. Maar buiten dat, is alles eender gebleven. Hier hoort ze thuis.

En Cato geeft uitleg aan velen. Hetzelfde verhaal doet ze tal van malen; ieder wil wel eens weten, wat dat beeldje daar ginder toch beduidt. Maar als haar gevraagd wordt: waarom heeft die schipper indertijd zijn tjalk de Kroonprinces genaamd?.... dan wordt ze bitsig, omdat ze geen enkel goed antwoord weet. En 't is niet noodig dat dat doorzien wordt.

Maar als het avond is en het dagrumoer teruggetreden, de stilte der Beyersche polderlanden ook over haar werf ligt gestreken, komt die vraag ook haar kwellen. En nu spijt het haar, dat ze dit niet gevraagd heeft aan Bart Zwartewaal, ten tijde deze nog over haar werf doolde. En ze heeft hier toch uren aan uren met hem doorgebracht. Ook op de reis om het beeldje had ze dat kunnen vragen. Dat was tenminste een vraag met een redelijk doel geweest. Redelijker taal dan er tusschen hen is omgegaan op die reis. Want het is nog kort geleden en hoe ver ligt dat al achter haar. Vèr heeft ze het verworpen, dat ze zich in dien tuin aan het water heeft laten drijven op het vloedwater harer gevoelens mee, zonder wederstand. Dat zooiets aan haar, aan Cato van de Kroonprinces kon overkomen en nog wel ten overstaan van een schipper, een zwalker. Omdat de vent aardige dingen weet te zeggen tot een vrouw; dingen, waarnaar je wel luisteren moet, waar je kwaad over wordt en weer verteederd, waar je over nadenkt en ze graag nog eens hoort.... dingen ongewoon en aangenaam. Maar loos voor vrouwen van ernstig slag, die zich daar niet mee inlaten moesten.

Sluiten