Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den kuil achter 't Plantsoen. Een oud uitgediend schip wordt uit elkaar gemokerd en gebrand en is dan deels nog voor ander doel ten nutte. Zoo staat een boegbeeld van een gesloopt tjalkscliik, dat eens de trotsche besloten woning van een schipper was, nu als sierbeeld op een werf. Maar als haar leven voorbij zal zijn, niets is dan overig dan de nagedachtenis aan een eerlijke handelsvrouw; ze was gevreesd en geëerd.... niemand heeft van haar gehouden.

Aan haar kuil komen te staan de leveranciers van hout, profielijzer en scheepsvictualiën, Marius als hij dan nog leeft en nog tot loopen bekwaam is.... misschien ook haar Notaris. Achter dat laatste avontuur ligt de stilte, een stilte zonder levende herinnering. Ja, ze moet toch erkennen, dan leeft de Kroonprinces een langer leven, al is haar beeld maar van hout, haar lippen dun en gesloten. Een vrouw die nergens genegenheid achterlaat, heeft zulk een vrouw met reden geleefd?

Ze hoort het nog Bart Zwartewaal zeggen, al ging hem dat niet aan: Ben je wel geboren, Cato, om kapotte schepen op te lappen en anders nergens voor? Je bent nog jong, Cato. —

Het is maar goed, dat het beeldje stom is. Anders klonk dat woord van dien indringer in haar armoedig bestaan, nog na in zijn geschenk: de Kroonprinces. Haar hand, nu bevend op het klamme haar in genegen druk, alsof het een vertrouwde vriendin ware, haar hand zal doelloos afsterven; geen beeld van haar zal overblijven. Zelfs geen beeld van haar, ergens in een menschenhart. Als ze aan haar vader denkt (ook vader heeft schepen geflikt) dan ziet ze toch Marius staan, Marius heeft zijn wezentrekken. En ook zij, Cato, is na zijn verscheiden overgebleven, om het werk van zijn handen en gedachten voort te zetten. En tevens, zij hebben vader's naam en familie voor hem voortgezet.

Maar achter haar gaat dat kil beëindigen. Niets zal overblijven; alles zal doelloos geweest zijn in haar leven. En,

Sluiten