Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK VI

EEN ROER DAT UIT DE HENGEN HANGT

Driftig gaat het werk voort op de Kroonprinces. Daar komen schepen en varen schepen af, genoeg voor 't doen van zulk een ingenepen bedrijf tussclien dijk en water, bebouwde opstallen en land van anderen. Alderhande schepen; geen enkel schip is eender. Zoomin de oorzaken eender zijn van hun komst, al is daar gelijkenis in. En zoomin de bevolking eender is, die in deze varende woningen vertoeft en tijdelijk komt kroelen over haar werf. Cato kijkt ze aan, kijkt ze diep in de oogen en het allerzeerst de vrouwen. Weten wil ze, hoe die vrouwen naast haar mannen bestaan en tezamen met de kinders. Maar haar belangstelling in de menschen duurt niet lang. Ze ervaart, dat ieder schip een eigen eenheid vormt, waar ze buiten staat. De menschen praten met haar en zeggen hun zeg, maar gedaan hebbende, treden ze terug in de beschutting van het eigene familiebestaan. En dan valt het deurtje dicht; zij staat daar buiten. lederen keer als er weer een schuit vertrekt, is het juist eender, als toen Bart Zwartewaal afreisde met de Semper Avanti. Want Bart sloot zijn deur voor haar en dat doen ook de anderen. Is er genegenheid in de harten van schippersvolk, dan vloeit die stroom altijd naar één zijde, naar binnen toe. En ze ervaart, dat het vruchteloos is, warmte van menschelijke genegenheid te zoeken bij haar gasten; alle betoonde hartelijkheid verwaait weer, als het schip de hooge haven verlaat.

Wat zoekt ze dan ook onder die menschen? Ze weet het niet ree, haar gedachten zijn soms zoo duister en brak.

Sluiten