Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dat deed hij niet zoomaar, doch uit ondervinding met vakgenooten, waarmee hij jarenlang ter beurze was gegaan. Hij heeft die groote mannen, eens bezitters van een rendeerend bedrijf als het zijne, zien kelderen en aan den bedelstaf geraken. Hij zal daarom nóóit speculeeren. En dat weet Cato; daarom blijft ze nog op de vlakte, zoolang ik er bij zit. Maar ga ik kuieren, dan komt ze los en zal ze een plan maken. Want er hangt zooiets in de lucht; anders was die sergeant niet op de vlakte verschenen. Goed.... laat ze dan maar eindelijk afkomen met haar plan. Dan kan hij er rechtstandig tegen in gaan en dat is beter dan 't maar te laten kwakkelen tot mogelijk later uitstel. Er moet een eind komen aan die dreiging. En hij vat zijn pet: „Ik ga nog even naar Tergouw," zegt hij lijzig. Zoo hij ook verwacht had, hebben ze hem niet weerhouden daarvan. Natuurlijk; hij was hier te veel. 't Leken koerduifies, die ook geen derden man plegen te verdragen. En hij kruipt gelaten in de roeiboot en zet zich over naar de sluis. Wat hij precies in de stad heeft te zoeken, dat weet hij ook niet. Maar nu hebben die twee avonturiers het pad vrij.

&

„Bouwen!" zegt de sergeant. „En dat ga ik je eens fijn uitleggen. De zee is onveilig en wordt bij den dag gevaarlijker. Ze zeggen dat binnen een jaar geen enkel watertransport meer ongehinderd in onze havens kan binnenkomen. Wat zal dan 't gevolg zijn? Geen vrachtbooten metende tien tot vijftienduizend ton, neen, twintig van achthonderd ton elk. Als er van die twintig enkele niet terecht komen, welnu, wat dan nog? Tot op den dag van vandaag hebben ze de vrachtschepen steeds grooter gemaakt en daar komt nu ineens een eind aan. Er komt wilde vraag naar kleingoed. En ik zal ze voor je bouwen."

„Op bestelling?"

„Later wel. Maar eerst op goed geluk. Wie de vraag vóór is, heeft den stoel van een ander alvast bezet."

Sluiten