Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toch een pronte juffrouw van veertig en toch geen vrijgraag diertje van rond de twintig meer. En waarom weet ze ook nu het woord, het passend woord niet, om er dien sergeant den keet mee uit te jagen. Ah, als ze nü een zweep had: ze zou zijn facie ten bloedens striemen. Die wil zeeschuiten bouwen en de vrouw uit de Kroonprinces wegtrouwen.

Hij kijkt haar aan, gemeen brutaal. Alsof hij haar gevraagd heeft om opslag en anders weg wil. Wat is hij: een vent zonder duit. Een vent van onderop, met wat handigheid en misschien ook doorzicht, maar met een onbeschoftheid, die mateloos is. Sommige voorstellen zijn tè bar, dat je woorden ter weerlegging kan vinden. Zij althans, ze zit in haar hoek als een bezeerde vogel. Haar keel zit dichtgesnoerd. En die vent kijkt haar maar tergend brutaal aan. Hij wil een bescheid. En vraagt daarom, in klare taal. Een armoedzaaier, een bedelman, die in 't gouwene nest om een dochter durft komen.

„Ik heb," zegt hij dan nog, altijddoor alleen aan 't woord blijvend: „ik heb jou al eerder willen vragen, al ben je ouder dan ik Cato. Want jij bent alleen en ik ben alleen. Jij hebt het bedrijf, ik de kundigheid. Verliefdigheid zit in ons geen van tweeën meer, maar werklust des te meer. Waarom geef je dan toch geen bescheid?"

Nog vaster prangt ze haar schoeren tegen 't dun houten beschot.

„En je zal d'r nooit spijt van hebben, Cato. Ik ben wel arm, maar van beste afkomst. En te erven heb ik ook nog."

Ze zwijgt.

„Maar wat wil je dan toch? Ik praat toch geen Maleisch. Zeg eens wat. Jij kan toch niet eeuwig alleen blijven met je broer. Wij verstaan elkaar toch beter, dan hij, al ben ik niet van jouw stam. Wat is een vrouw alleen, op haar ouden dag?"

Even kijkt ze, verward als een dronkene, naar buiten; maar buiten is niemand, ze heeft zich vergist. Wat is alles

Sluiten