Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wijs en 't is allemaal even ondenkbaar en brutaal. Hoe durft toch zoo'n vent.... zelfs heeft hij geen baan, geen inkomen. Hij heeft niets, dan 't vernuft van z'n vingers en een goed mondwerk. Ach, vond ze nu in haar verhanseld gemoed maar het ware, hoonende woord. Gerechtigheid.... hij komt naar haar toe; haar keel zit dichtgesnoerd.

Wat is die Cato bang van mannen, die zelfde harde kroonprinces, die gewoon is met een eind hout tusschen werkvolk te loopen en ze te regeeren zonder wederspraak. Ze ziet hem komen, alsof hij machtig groot is, alsof een woeste horde mannen op haar toe komt, langzaam, onafwendbaar, om haar te verwurgen.

En hij komt alleen maar naast haar zitten, om haar beter aan te kunnen kijken. En om zijn vraag nog dringender te kunnen herhalen. En om haar wezen in elkaar te nijpen, tot ze vervaard is als een vogeltje in mensehenhand. Nu moet ze toch antwoorden; ze kan toch niet door het beschot vluchten. Nu moet ze haar gedachten bij elkaar rapen. Wat wil die man: zeebooten bouwen en trouwen....

Trouwen als we slagen — heeft hij gezegd ....maar we slagen, Cato — heeft hij gezegd. En dat wil ze grif gelooven, want hij is helder en heeft durf. Maar 't is zoo'n bedelaar in de wereld. Wat zei hij van erven? Wat moet ze gelooven van dat soort dingen, hangende in de wolken? Bezinning! Er moet bezinning komen; hij kijkt haar zoo dwingend aan.

„Ik kan me toch niet verkoopen om een zeebootje," zegt ze klagend en zinloos. Want zoo heeft de teekenaar het toch niet gesteld.

Zijn antwoord stroomt op haar neer, véél woorden. Woordengeratel als van een steegjeswijf. Ze verstaat het ten halve, het maakt haar wee en dom en bang. Hoe toch een mensch, altoos bekwaam in 't nemen van besluiten, als het maar 't bedrijf aanbelangt, een stuurloos stuk drijfhout op 't gaande water kan zijn, als het haar eigen betreft. Ze hoeft nu toch maar barsch te zeggen: vent duvel °P' en a"es za' voorbij zijn en die benauwde gedachten

Sluiten