Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

om vechten, maar zij.... ja, wat ben ik zelf. Een oude vrouw van veertig. En hij, achter in de dertig weliswaar; maar een man is jonger en pleegt dan nog jonger een vrouw te zoeken. Neen.... hoè ze het wendt, hoe ze hem praten laat over gelukkig maken.... ze gelooft hem niet, nu haar bezinning weer paraat is; de vent wil zeebootjes bouwen, rijk worden, avonturieren. En in dat avontuur neemt hij de kroonprinces van veertig op den koop toe.

En nu ze weer denkt, weet ze zich wel los te winden uit zijn handen. Ze zet haar handpalmen uitdagend op de tafel, heft haar donkeren kop naar voren en wacht op wat hij nog meer zeggen zal.

„Je schijnt me kwalijk te gelooven, Cato. Wantrouw je m'n bedoelingen?"

„Ja, dat doe ik."

„Waarom dan toch?"

„Omdat ik de Kroonprinces bezit met Marius m'n broer. En wat bezit jij?"

„Ik moet nog erven."

„Maar wat bezit je?"

„Kunde en werklust alvast, om je aan te bieden."

„Zou je me óók vragen, als ik de Kroonprinces niet bezat ?"

Hij aarzelt even. Dat ziet zij. „Nee," zegt hij dan: „dan stond ik vandaag zoo niet voor je, Cato."

„Zie je nou wel!" zegt ze opgelucht en ze voelt ineens alle loome twijfels van zich afvallen. „Ik docht het wel, mooie meneer; ik docht het wel."

„En tóch ben je te gauw met je oordeel," zegt hij vriendelijk weerom: „Want als je de bazin van de Kroonprinces niet was geweest, en dan ook m'n eigen patrones niet.... dan had ik je den eersten dag dat ik je zag al in m'n armen genomen, Cato. En dan waren we al lang een paar!"

Daar ligt haar kaartenhuis weer in elkaar. De teekenaar ziet het, ziet het terdege, hoe ze wankelt tusschen twee gedachten. „Je vraagt van mij, of ik je trouw om je persoon, waar?"

Sluiten