Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Nou versta ik je goed. Jij vordert van mij, dat ik je om je persoon wil hebben. Jij vraagt dus liefde, Cato. Maar wat je me aanbiedt, is alleen maar de zaak. In je hart kan ik niet komen."

„Nooit. Ik ben geen vrouw om liefde af te geven. En laten we daarom maar geen comedie spelen; laten we er toch maar een zaak van maken. Jij en ik, we maken de Kroonprinces groot. We komen bij elkaar, met dat doel. Verder zijn we te verstandig, om als kalveren te doen. 't Huwelijk met een vrouw van veertig is een zaak. En dan laat ik je gauw weten, wat ik besluit."

Maar toen zei de heldere vent iets, waar ze al haar parmantigheid weer mee verspeelde. „Ik heb toch óók nog wat te besluiten, zou 'k denken. Als jij me opkoopen wilt — zoo heb je 't zelf genaamd — om je zaak en je zaak alleen, dan zoek je maar een ander. Geef de werf maar aan Marius, dan neem ik je nog." En om daar kracht bij te zetten sprong hij weer naar haar toe en of ze hem ook in z'n gezicht kletste, hij greep haar vast èn degelijk. „Hebben zal ik je, Cato! Maar om je zelf! Omdat je een oud wijf bent, die aan geen enkelen man nog ooit een lief woord hebt besteed! Ja, krab maar als een kat, ik laat je tóch niet los!" En hij boog haar hoofd achterover, zoodat ze weerloos tegen zijn borst lag en begroef z n gezicht in haar dikke zwarte haar."

Ze kon toen alleen nog maar een knoop van z'n uniformjas afrukken, toen gaf ze zich gewonnen. Die man vocht dan toch om haar, omdat hij naar haar verlangd had, daar ginder op de hei. Ze werd er mild van en ze moest geweld doen tegen de tranen. En hij? Hij kuste haar het opwellend vocht uit de oogen. „Al was je zoo arm als een torenkraai, ik wou je hebben!"

Toen kwam Marius terug, vond ze en hij dacht, dat hij zijn bezinning had verloren, of iets daaromtrent. De sergeant stond stram, alsof er een officier was verschenen, de kroonprinces dierf naar haar broer niet op te zien. Toch was zij het, die ontdaan het woord opnam.

Sluiten