Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Marius, je hebt er recht op, dat je 't weet; ik en Leendert, wij gaan trouwen."

Twee mannen waren verbaasd van dat woord. Maar de broer toch wel het meest. „Ga jij met een teekenaar trouwen? En gaat dat allemaal maar achter m'n rug om? Hoelang heeft dat spul al geduurd?"

«Wat doet dat er nu nog toe: we gaan trouwen."

„Mooi vooruitzicht voor je, Cato! En voor ons bedrijf."

„Hij heeft georven," loog ze, om haar houding te verklaren.

„Zoo. En wat wil je nou?"

„Ik wil dat subiet afhandelen. We zijn nu toch gedrieën. Leendert, je hoeft niet aan je gesp te pulleken. Kom naast me zitten. Marius, hoor! Leendert komt bij ons in 't b&drijf."

„Hij is toch gemobiliseerd."

„Ik krijg hem vrij, dat is al afgehandeld."

„En dan?"

„Dan gaan we uitbreiden en voor de zeevaart bouwen."

„Nooit!"

„Wat?"

„Nooit!"

„Man; er is blokken geld mee te verdienen!"

„Al regende 't gouwe rijers, dan nog niet."

„Maar hoort U nu eens," zegde Leendert.

„Man bemoei je niet met mijn zaak. Daar heb en krijg je niks mee te maken. De zaak staat op mijn naam en de werf blijft zoo ze is. Geen duim komt er meer bij."

„Maar als ik toch met uw zuster trouw...."

„Dan kan je, wat mij betreft, in oud ijzer gaan handelen, je kunt een kar van me cadeau krijgen, maar in de Kroonprinces neem ik geen vreemden."

„Maar hij blijft dan toch geen vreemde."

„Voor mij wel. De man van m'n zuster is alleen maar m'n zwager. Je hebt aandeel, Cato; luj niet. Als je trouwt,

9

Sluiten