Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dan hoor je in je huisgezin thuis en dan keer ik je je aandeel uit. En dan ga jij links en ik rechts. Dat het je wel mag gaan. At ju!" En Marius stond op, nam zijn pet en trok den huis in. Den teekenaar zag hij nog niet aan.

„Die draait wel weer bij," zegde Cato, bleek en star als een beeld van marmersteen. Want dat had ze toch niet verwacht. Zóó had ze den goedzak, die haar broer was, nog niet liooren praten. Ze moest hem nu achterna, ze moest daar tusschen springen, eer die boute meening in zijn kop verstarde. Want ze wist precies wat ze aan hem had; tenslotte was 't een zoon van haar vader en.... een broer van haarzelf. Harde koppen.

En ook moest ze van dat avontuur hier af. Ineens overzag ze dat alles als met verhelderde oogen. Ze was maar leelijk in de fuik geloopen door deze gebeurtenis. Want wel had ze haar figuur gered tegenover Marius zoo goed als dat ging, maar die teekenaar won het pleit. Die teekenaar had zijn zin: ze had de woorden zélf uitgesproken. Enkele uren geleden was ze nog compleet onbekend met wat die man zou zeggen, onbekend met de geheime gedachten, die hij bij z'n eigen had uitgebroeid.... misschien wel nadat haar brief hem had bereikt. En nu al had ze ja gezegd, nu al had ze zich laten grijpen en zoenen, als een meid. „Ga nou maar weg!" zei ze verward: „ga nou maar weg."

„En wanneer spreken we verder met elkaar?"

„Wanneer je wilt, maar nu niet meer. Ik acht, dat het wel is voor vanavond."

„Wil je naar je broer?"

„Ik wil alleen zijn," ontweek ze hem.

„Mag ik er niet bij zijn?"

„Ga nou toch weg, Leendert."

„En moet dat zoomaar?"

„Hier heb je een hand. Nee' man nee'.... ik maak schandaal Leendert! Ga nou weg! Respecteer het toch, dat ik, na wal hier met mijn broer gepasseerd is, alleen wil zijn."

„Jaag je me weg?"

Sluiten