Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Als je me dwingen wil.... dan ja!"

„Goed, ik zal gaan. Je bent een vreemde vrouw."

„Goed, laat dat zoo zijn. Maar ga nou toch eindelijk weg."

„Wel, dan ga ik. En ik ga logeeren aan 't Station. Wanneer zie ik je morgen?"

„Morgen? Morgen kan ik niet."

„Je ontwijkt me. Wil je terug?"

„Ik weet het niet, Leendert, ik weet alleen, dat je nu weg moet gaan."

„Morgen zal ik hier komen."

„Dan laat ik je er niet in. Ik moet eerst klaarheid hebben met mijn broer."

„Dan zal ik je opbellen."

„Doe dat. Maar ga dan nu."

„Dag Cato."

„Dag. Ga nou!"

En hij ging. Aarzelend, want hij wist hier terrein te verliezen. Alles was zoo goed gegaan, zoo onstuimig begonnen en toch goed afgeloopen. Gelijk hij 't zich ook had voorgesteld. Zoo'n oud-wordende vrouw, een leeftijd om veel verstand in zaken te hebben, weinig verstand in de aangelegenheden de eigen bestemming betreffende. Zoo heeft hij zijn patrones ook altijd voorgesteld: hard, maar hunkerend. Dat zag hij aan haar oogen, haar gebaren, aan alles.

Hij gaat den avond in, het klaphekje door en naar Stolwijkersluis. Eer hij den dijk neemt, kijkt hij nog eens om. Gaat dat mooie gedoetje, waar goud in zit, nu tevens zijn bezit worden? Wat een vrouw. Toch niet te oud en vurig naar den eiscli. Hij zal achteraf toch maar liever in Stolwijkersluis in het café van Christensen blijven, dan is hij niet zoo ver van het doelwit af. Wat gebeurt daar achter zijn rug tusschen broer en zus? Hij zou daar eigenlijk bij moeten zijn. Maar kom je daar ooit tusschen? Hoè diep zitten de familiegevoelens verankerd?! Neen, daar kom je nooit tusschen. Hij bestelt nachtlogies bij Christensen,

Sluiten