Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK VII

DE ERVEN GESCHEIDEN

„Vader zijn werk leit aan gruis, Cato. Wat ben je begonnen ?"

„Waarom aan gruis, Marius?"

„Omdat de vreemde het zou ramponeeren, als ik er een vreemde op toeliet. Waarom wil jij trouwen? Hadden we 't niet goed tezamen?"

„Maar nogal alleenig," zegt ze. Ze moet nu voorzichtig zijn en zoeken waar en hoe ze hem vangen zal.

„En daarom doe je 't niet, Cato. Ik heb je nog nooit weten vrijen en dat zit in ons niet."

„Was Vader niet getrouwd?" Die slag was raak. En Marius moet er zich op bezinnen.

„Wij stonden tezamen voor de werf," zegt hij peinzend. „En waren we niet gelukkig? En we waren door de lochte jaren heen...."

„Een mensch is mensch," is haar antwoord.

„Ik kan het niet bevatten. Eerst heb ik gedocht, dat die schipper van de Semper Avanti achter je rokken liep en er is ook ander mansvolk geweest, Cato, dat op kwalijke wijs naar je keek."

„Ik ben toch een vrouw."

„Van veertig, Cato. Ik heb dat nog eens gezien. Een vrouw van veertig. Ze wier gezoend door een elk. Door den melkboer in de gang, door 't werkvolk van haar man, door een wildvreemden koopman aan de deur. Waarom? Vroeg ze er om? Deed ze er naar?"

„Je wil toch niet zeggen...."

Sluiten