Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zicht over te houden. Jij telt het profielijzer, als 't wordt uitgelaaien voor onzen wal. Want geen stuk van een duim mag verloren gaan. Kinderen vragen nog meer opzicht: niet één mag verloren gaan, Cato."

„Dus als ik trouw...."

„Dan zorg ik, dat op je trouwdag — en dat wordt voor mij een rouwdag — je aandeel gereed ligt. Mag Oome Gerrit den inventaris opmaken? Of wil je een vreemden taxateur; zeg vrij op."

„Marius, maar jongen, dat meen je toch niet?"

„Dat meen ik wel."

„Werp je me er uit?"

„Je trapt zelf het ouwe nest kapot."

„Maar denk je dan niet op mijn geluk?"

„Ik vat er zooveel van, dat het je in den kop geschoten is, Cato. Je bent op een kwaaien leeftijd en 't is een rauwen tijd. Je wilt lioogerop. En Vader heit daartegen gewaarschuwd."

„Vader kon toch den oorlog niet voorzien."

„Vader heeft 80-81 meegemaakt."

„Dat was gansch anders."

„Vader heeft de werf gebouwd; jij zal de eigenste werf niet sloopen, Cato. Ik heb je hoog, je bent best geweest voor 't bedrijf. Maar nou zit de razernij in je bloed en in je kop. Je draaft naar den ondergang."

„Luister, Marius; laten we geen dolle dingen doen."

„Juist en trouw daarom niet. Over tien jaar ben je een uitgebloeid vrouwmensch."

„Ik weet wat ik wil, Marius. En luister naar me. Ik ga trouwen met Leendert Streefkerk. Jij wilt deelen.... goed, laten we deelen. Ik wil de werf uitbreiden en jij wil dat niet. We maken er twee zaken van, neven elkaar. We werken met de eigenste machines, met het eigenste volk. Zoo gaat dat samen op. En we verrekenen, naarmate er arbeid is verricht."

„Een belangengemeenschap met een vreemde; nooit."

„Ben ik jou een vreemde?"

Sluiten