Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Op dat woord Iaat ze vrijelijk haar tranen loopen. Marius kijkt daarvan op. Ook dat al: Cato z'n zuster van hard hout,.... ze grient. Hij moet teruggaan tot haar schooltijd, om zich dat te kunnen voorstellen. Wat moet die oude meid wel uit haar lood geslagen zijn. En nu moet hij oppassen ook, anders maakt ze hem nog week en wankel in zijn besluit. Maar dat besluit staat vast: Geen duimbreed wordt er aan de Kroonprinces toegevoegd en tot nieuwbouw — behoudens dan een van een sloep voor een schipper — zal hij nóóit overgaan. En als zij ook even vast in haar schoenen staat, beteekent dat het einde van hun samenzijn. Hij staart in een donker gat. Wat zal hij moeten beginnen ?

Ze vraagt hem dat, door haar tranen heen. „Heb maar geenerlei zorg van mijn persoon. Ik verhuur den huis aan menschen, die me als thuisligger kunnen hebben. En voor de rest zal ik m'n weg nog wel vinden zonder jou."

„En de werf?"

„Zal 't minder goed gaan zónder jou, Cato? Dat is geen vraag, want dat weet ik zeker. Er zal minder verdiend worden. Maar liever werk ik met minder volk en vrij man blijvend dan dat ik groot wier.... maar een knecht van 't bankkapitaal. Ik denk maar aan vaders raad."

„En als jij ten onder gaat, hier op het werk alleen? Zal jij in dezen rauwigen tijd altijd wel 't beste weten te besluiten ?"

„Als ik 't niet meer aan kan, dan stap ik er uit en koop me een lijfrente."

„Wil je dat nou al doen en mij de werf overgeven?"

„Nee. Als ik me laat uitkoopen, dan niet door jou. Ik keur het in je af, dat je 't avontuur in springt. Ik wil onzen familienaam er niet aan wagen, dat je je op vaders werf overeet aan je kwaaie plannen. Onzen naam moet geen oneer worden aangedaan. En als ik de werf ooit verkoop, dan verkoop ik niet den naam. Die is van de familie."

„Maar 't boegbeeld is van mij."

„Dat heb jij gekregen, dat is zoo, van Bart Zwartewaal.

Sluiten