Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK VIII GETROUWD

Wie in Ridderkerk woont, komt er lichtelijk toe, eens naar Rotterdam te toeren. En wie in een gansch nieuwen levensstaat belandt, doet even lichtelijk dingen, waar hij vroeger niet naar getaald zou hebben. Cato heeft dat ervaren. Op den dag dat ze uit Stolwijkersluis afreisde met haar sergeant, was het haar, of ze uit een ton gekropen kwam, waarin ze — gelijk een hofhond aan een ketting — jarenlang gelegen had. Ze zat met haar sergeant in den trein, tweede klasse.... stel dat voor, Cato in de tweede klasse.... en ze liet zich zoenen in het openbaar. Maar dat beroerde haar nu zooveel als ware ze een stuk hout. Het mocht nu, het hoefde nu geen geheimenis te zijn, het ging regel worden, hij wier haar vent.... nu was het dronkenmakend wilde er gelijk van af. En het bange tevens. Haar aarzelingen waren voorbij; daar had voornamelijk Marius wel voor gezorgd, met zijn nijdigen kop.

„Nou gaan we er eerst voor werken, dat ik vrij kom van den dienst," merkte Leendert op en hij sloeg verliefd zijn arm om haar schouder. Dat kon hij nu doen, want bij Nieuwerkerk was de eenige passagier die nog over was, uit hun coupé gestapt. Ze wikkelde zich los en zei

• 99 Ja,

laten we een goed plan opmaken. Jij gaat je verlof in Ridderkerk doorbrengen; maar waar blijf ik?"

„Ook in Ridderkerk."

„Maar niet bij jullie thuis; er zal al genoeg over mij gepraat worden."

„We vinden wel goed onderdak voor je in Ridderkerk."

Sluiten