Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Je weel wel, dat ik niet alleen met m'n wil om schepen te bouwen te rekenen heb daarbij."

„Dat weet ik; mannen zijn van- woesten aard. Maar laat me nu werken. Of liever, help me. Hier liggen de lijsten van 't handgereedschap; ik heb de machines genummerd ingeboekt. Met het kleine gereedschap wou ik op alphabet werken, dan krijgen we overzicht. Alleen 't onderstreepte is in bruikbaren staat."

„Heb je dat allemaal alleen uitgezocht, Cato?"

„Natuurlijk. Je mag me een vreemde vrouw noemen, maar te zeggen dat ik een luie ben daar geef ik je toch de kans niet voor."

Maar van een namiddag, dat ze samen in Rotterdam waren voor de overname van de geringe resten materiaal en voor aankoop van nieuwe bevoorrading hout, maakte hij gebruik haar te overhalen, in de stad te blijven met hem. Ze aten in een restaurant en daarna trokken ze naar een theater. Daar was ze nu ruim een en veertig jaar voor geworden, om in 't geleide van Leendert, haar aanstaanden man, voor het eerst een comediestuk te zien. Ze zat op een klapstoel in een heete zaal, tusschen honderden menschen en toch was ze alleen. Ze was daar heel alleen, hoewel toch Leendert Streefkerk in zijn uniform naast haar zat en telkens haar harde hand zocht vast te houden. En alleen keek ze in een wondertuin, waar ze, tot op dien avond geen weet van had gehad. Ze zag de wereld der rijken; rijken die wisten dat ze rijk waren en daarnaar leefden. Zij is ook rijk, ze bezit bekant een ton.... maar zij leeft niet naar der rijken aard, zij werkt. Zij gaat de machtige zorg aan van 't beheer eener nieuwe werf, waar op nieuwe wijs in avontuur gebouwd gaat worden.... zij, die rijk had kunnen zijn gelijk deze dames in zijden kleer en met hun lieve stemmetjes en poezelige manieren. Zij zou hebben kunnen leven in het zonnige licht gelijk deze rijken, in de koestering van hun genieten, precies als deze rijken. Maar ze heeft als part gekozen het roest van scheepsmetaal, de geur van touw en pek en carbolineum, 't ge-

Sluiten